36. Verlies en rouw – het begrijpen en aanvaarden van de dood

Kinderen jonger dan 3 jaar maken geen onderscheid tussen levende en niet-levende objecten. Tot een jaar of 5, 6 beschouwt een kind de dood nog als iets tijdelijks waaruit je kunt terugkeren.
Kinderen tussen 5 en 8 jaar begrijpen dat de dood een definitief afscheid is, maar beseffen niet dat ze ook zelf dood zullen gaan. Dat komt pas als ze 9 of 10 jaar zijn.
Kinderen tussen 8 en 12 jaar vragen zich af waarom juist deze persoon moest sterven. Hun verdriet vindt vaak een uitweg in lastig, agressief gedrag (vooral bij jongens), of angstig, depressief gedrag (vooral bij meisjes).
Zijn kinderen ouder dan 12 jaar, dan lopen het rouwproces en de puberteitsproblemen door elkaar.
Jonge kinderen overschatten vaak hun eigen aandeel in de dood van iemand uit hun omgeving. Ze kunnen bijvoorbeeld denken dat hun broertje of zusje is overleden omdat ze er ruzie mee hebben gemaakt.
Kinderen verwerken hun verdriet over de dood op verschillende manieren. Soms zie je pas een jaar na de dood van hun vader of moeder dat ze verdriet hebben. Bij een broertje of zusje kan het wel vijf jaar duren.
Kinderen die worden weggehouden van de dood, en daardoor niet de kans kregen de dood te verwerken, kunnen daar als volwassenen last van hebben. Ze zijn bijvoorbeeld overdreven bang dat hun geliefde hen zal verlaten. Zonder dat ze begrijpen waarom, hebben ze het gevoel dat iemand zomaar uit hun leven kan verdwijnen.
Kinderen van alle leeftijden hebben vaak de neiging de achtergebleven ouder niet te belasten met hun verdriet. Is een broertje of zusje overleden, dan gaan ze vaak extra hun best doen voor hun ouders. Voor hun eigen verdriet is dan geen plaats meer. Opvoeders moeten daar oog voor hebben.