31. Straf – een beperkt opvoedingsmiddel

Een volwassene die straft, doet een kind bewust pijn: lichamelijk, en/of geestelijk. Het doel is gedrag te stoppen dat te gemeen of te gevaarlijk is om te negeren.
Straf werkt alleen als de pijn voor het kind beperkt blijft. Te veel pijn heeft het omgekeerde effect.
Kinderen moeten begrijpen waarom ze worden gestraft, en hun gedrag kunnen veranderen. Wil straf helpen, dan moeten volwassenen aan kinderen uitleggen welke regels ze hebben geschonden en wanneer ze niet meer boos op hen zijn. Die uitleg moet passen bij hun leeftijd.
Kinderen tot een jaar of 4 leggen niet automatisch verband tussen de straf en hun gedrag. Ze moeten bovendien leren dat boos-zijn gaat over hun stoute gedrag, niet over henzelf.
Schoolkinderen moeten de zin van straf kunnen inzien. Het is bijvoorbeeld zinvol ze iets te laten vergoeden wat ze hebben vernield.
Bij pubers kunnen straf en overtreding uitlopen op een soort wapenwedloop: hoe erger de straf, hoe zwaarder de overtreding. Pubers hebben consequente grenzen nodig en uitleg over die grenzen (zie 9. Pubers en conflicten). Ze kunnen hun eigen gedrag en de gevolgen daarvan nog niet helemaal overzien.
Een gestraft kind wordt niet automatisch een gehoorzaam kind. Het kind moet ander gedrag aanleren, en dat kost tijd.
Bovendien is het effect van straf bij elk kind anders, omdat elk kind een ander temperament heeft (zie 20. Elk kind is anders). Ouders en andere opvoeders moeten daarom een passende aanpak kiezen en die consequent volhouden.
Van lichamelijke straf (een mep uitdelen) zijn geen positieve effecten bekend. Bij kinderen met ernstige gedragsproblemen zorgen standjes en time-outs (kinderen even apart zetten) ervoor dat ze zich op de lange duur beter gaan gedragen.
Je kunt straf niet gebruiken om goed gedrag te stimuleren. Een goed voorbeeld geven helpt wel.