16. Spreken en lezen – over taalontwikkeling en leesplezier

Spreken en lezen begint met luisteren. Baby’s lachen, kijken en maken geluidjes met hun opvoeders. Ze richten zich op de klanken in de taal die ze horen. Zo ontdekken ze dat bepaalde combinaties van klanken iets betekenen: het zijn woorden.
Tussen de 13 en 18 maanden beginnen peuters zelf woordjes te zeggen. Aanwijzen en benoemen van dingen was al in de baby-fase belangrijk, om op die manier woorden aan te leren. Daar komt nu voorlezen bij. Door kinderen voor te lezen, krijgen ze gevoel voor verhalen. Zo wordt hun fantasie geprikkeld. Bovendien leren kinderen zich te concentreren.
Kinderen van 3 jaar zijn de helft van de tijd verstaanbaar.
Vierjarigen maken eenvoudige zinnetjes, met allerlei taalfouten erin.
Kinderen van 5 jaar kunnen we goed begrijpen. Zij maken meestal ook goede zinnen.
Behalve leren praten, leren kinderen ook lezen. De snelheid waarmee dat gaat, hangt af van hun concentratievermogen en van hun fantasie.
Lezen is geen spontaan proces, dat moeten kinderen leren. Om te kunnen leren lezen, moeten kinderen de gesproken taal beheersen. Bovendien moeten ze begrijpen dat taal iets is wat op zichzelf staat.
Allochtone 4-jarigen die hun eigen taal voldoende beheersen, zullen na één jaar onderwijs in het Nederlands, ook de Nederlandse taal voldoende beheersen.
Door zelf te lezen, kunnen kinderen hun taalniveau verhogen. In boeken komen woorden voor die ze in de gewone spreektaal niet altijd horen.