48. Sport – fair play en een goede coach maken het verschil

Sport en bewegen hebben een positieve invloed op de gezondheid.
Wie sport, heeft een kleinere kans op een aantal ziekten en aandoeningen, zoals diabetes. Je afweersysteem wordt sterker, dus je wordt minder snel ziek. Je bloeddruk wordt lager.
Je lichaam wordt sterker, want je spierkracht neemt toe. Je uithoudingsvermogen verbetert: lichamelijke inspanning hou je langer vol. Je coördinatievermogen gaat vooruit: je wordt handiger.
Sporten helpt ook bij het wegwerken van te veel kilo’s. Voor een goede balans tussen eten en bewegen, moeten jongeren elke dag een uur wandelen, fietsen, joggen of zwemmen. 
Sport, bewegen in een georganiseerd verband, structureert tijd: kinderen gaan naar trainingen en wedstrijden. En sporten zorgt voor sociale contacten: met andere sporters.
Maar is sport ook gunstig voor de ontwikkeling van cognitieve (het denkvermogen), sociaal emotionele (zie 5. Sociaal-emotionele ontwikkeling) en morele waarden (zie 12. Goed en kwaad)?
Wat cognitie betreft: geheugen, aandacht, waarneming en intelligentie verbeteren niet door sport.
Sporten is alleen goed voor de sociaal-emotionele ontwikkeling als de trainers op een goede manier met de kinderen bezig zijn. Ook de sfeer op de club of vereniging moet goed zijn. Anders helpt sporten daarbij niet.
De morele ontwikkeling van kinderen wordt positief beïnvloed als trainers de nadruk leggen op fair play. Dat betekent dat iedereen zich aan regels en afspraken houdt die sporten eerlijk en leuk maken. Daarbij gaat het niet alleen om spelregels, maar ook om omgangsregels: niet schelden, niet vloeken, en geen geweld gebruiken. Ook ongeschreven regels tellen mee, zoals bijvoorbeeld de bal uittrappen bij een blessure van de tegenstander, iets wat bij voetbal gebruikelijk is.