11. Spelen en vervelen – voelen, ruiken en samenwerken

Spelen begint al vanaf de geboorte. Baby’s gebruiken hun ogen, oren, neus, handen en mond om de wereld om hen heen te verkennen. Lekker in het badwater slaan, kliederen met eten. Zo ontwikkelen ze hun lichaam én hun geest.
Kinderen van 1 jaar en ouder gaan kruipen, lopen en een beetje klimmen. Peuters proberen uit wat je met materialen kunt: dingen op elkaar stapelen, omgooien, verstoppen en weer te voorschijn halen.
Kinderen tussen 1,5 en 2 jaar oud gaan ‘doen-alsof’ spelen: de banaan is een telefoon, de schoen een boot.
Peuters doen vooral anderen na.
Vierjarigen brengen al een taak- en rolverdeling aan in hun spel: ‘Ik was de moeder en jij was de vader, en ik ging naar kantoor’ (zie 15. Creativiteit, fantasie en spel). Bouwen, tekenen, knippen en knutselen vinden ze op deze leeftijd ook leuk.
Spelen is belangrijk voor de lichamelijke, sociale en cognitieve ontwikkeling (het denkvermogen) van kinderen. Ze leren praten en dingen benoemen (zie 14. Leren denken).
Doordat ze spelen en samenwerken, ontwikkelen ze hun sociale vaardigheden en hun inlevingsvermogen. Daarbij is buiten spelen extra goed. Spelen in de natuur wordt minder vaak onderbroken dan op asfalt. Ook gebruiken buitenspelende kinderen meer fantasie bij hun spel.
Wanneer kinderen regels gaan gebruiken bij het spelen, is hun spel in alle opzichten ontwikkeld. Kinderen zijn pas aan spelletjes met regels toe wanneer ze 6 jaar of ouder zijn. Dan pas begrijpen ze goed waar regels  voor dienen.
Spelen is belangrijk, maar vervelen ook. Vervelen geeft kinderen de ruimte zelf iets te verzinnen.
Kinderen die voortdurend worden bezig gehouden, krijgen niet de kans hun eigen creativiteit te ontwikkelen.