27. Riskant gedrag – blowen, drinken en free running

Ouders beleven de moeilijkste periode met hun kinderen als ze tussen 12 en 14 jaar zijn. Pubers gaan van alles uitproberen, denken van alles te kunnen, geloven niet dat hen iets kan overkomen en zien geen gevaar.
Ze gaan blowen, drinken, free runnen, doen hun eerste seksuele ervaringen op. Ze experimenteren, zoeken grenzen op en gedragen zich riskant.Vaak weten ze dat ook wel, maar die kennis zet toch geen rem op hun gedrag.
Dat komt omdat hun hersenen nog niet goed in evenwicht zijn. Het beloningscentrum in hun hersenen is overactief. Dat is het gebiedje dat kicks beloont met positieve gevoelens. Maar het gebied dat moet zorgen voor controle en beheersing, is nog onderontwikkeld (zie 3. De hersenen).
Het resultaat is, dat pubers zich onkwetsbaar voelen. Wat ze doen is misschien wel gevaarlijk, maar, denken ze: ‘Mij kan niets overkomen’.
Pubers voorlichten over de risico’s van hun gedrag heeft geen zin, want die kennen ze. Wat wel helpt, is bepaald gedrag verbieden door regels te stellen. Bijvoorbeeld: geen alcohol onder de 16 jaar.
Ook helpt het om minder riskante alternatieven aan te dragen. Bijvoorbeeld: sporten of muziek maken.
Ten slotte kunnen opvoeders proberen ervoor te zorgen dat kinderen riskant gedrag zo lang mogelijk uitstellen.
Kun je het ongewenste gedrag niet stoppen, probeer er dan afspraken over te maken. Bijvoorbeeld: alcohol drinken
(1) niet door de week, of als je de volgende dag huiswerk moet maken of sporten;
(2) niet meer dan een paar glazen op een avond (zie 25. Verslaafd).