13. Pikken en jokken – schaamte, spijt en trots zijn op het goede

Als kinderen 2 jaar zijn, gaan ze een beetje begrijpen wat ouders wel of niet goed vinden. Maar kleine kinderen weten nog niet uit zichzelf dat ze iets verkeerd doen. Daar hebben ze opvoeders voor nodig.
Vierjarigen kunnen zich al wél zonder direct toezicht aan regels houden.
Maar 4-jarigen kunnen uit zichzelf niet goed onderscheid maken tussen dingen die van hen zijn of van iemand anders. Nemen ze bijvoorbeeld van school iets mee, dan is dat geen stelen. Leg uit dat dit niet kan, en breng het samen terug. Zo leren ze wat ‘niet pikken’ en ‘niet jokken’ is, en wat eerlijk en oneerlijk is. Ook voelen ze dat eerlijk blij maakt, en oneerlijk verdrietig.
Kinderen van ongeveer 7 jaar beginnen een eigen geweten te ontwikkelen. Ze laten iets omdat het wordt verboden én omdat ze van binnen voelen dat ze iets verkeerds doen. Je kunt ze aanspreken op hun gedrag, en ze vinden dat ook terecht.
Als kinderen van 7 jaar en ouder liegen of stelen, doen ze dat vaak met een reden. Uit loyaliteit (ze willen een vriend niet verklikken); om aandacht te krijgen (ze willen met die prachtige armband kunnen pronken); om ergens bij te horen, (‘iedereen ging naar de snoepwinkel’); of omdat ze opzien tegen de gevolgen als ze de waarheid spreken (‘mijn moeder wordt heel boos als ik zeg dat ik geld heb gepakt voor snoep’).
Om zich eerlijk te kunnen gedragen, hebben kinderen hulp nodig. Het is daarom goed als volwassenen regels stellen, die regels toelichten, en het kind daaraan houden. Zo worden kinderen geholpen zich te schamen voor het verkeerde, en trots te zijn op het goede (zie 28. Liefde en leiding, 29. Vaardigheden voor opvoeders, 31. Straf).