1. Ontwikkeling ­– wat op welk moment?

Kinderen ontwikkelen zich stukje bij beetje. Soms is dat heel duidelijk: een baby groeit, en wordt groter en zwaarder. Maar soms zie je er niks van. De eerste menstruatie (voor meisjes) en de eerste zaadlozing (voor jongens) komt heel plotseling. Het lichaam heeft ze al langere tijd voorbereid, maar dat kon je niet zien.
Kinderen leren dingen in een bepaalde volgorde, maar die ligt niet altijd vast. Zo hoeft een kind niet per se te leren kruipen voordat het kan staan of lopen. Ook kunnen kinderen sommige stappen die ze wél echt  moesten zetten, later inhalen. Wie bijvoorbeeld als kind nooit heeft geleerd zich in te leven in anderen, kan dat later als jongere alsnog oefenen.
Inhalen kan vaak wel, maar kost extra moeite. Het is gemakkelijker de dingen aan te leren op het geschiktste moment. Zo kunnen kinderen bijvoorbeeld het beste een tweede taal leren voordat ze 5 jaar zijn. Dan leren ze de uitspraak en de woordenschat het snelst.
Voor een goede ontwikkeling zijn twee dingen belangrijk: aanleg en omgeving.
Het erfelijk materiaal van een kind bepaalt waar het aanleg voor heeft. Dan kan het gaan om leuke dingen (zoals talent voor een bepaalde sport), of ziekten (zoals ADHD).
De omgeving heeft invloed op wat er van die aanleg terechtkomt.
Kinderen die met dezelfde aanleg opgroeien in verschillende omgevingen, ontwikkelen zich waarschijnlijk verschillend. Kinderen die met een verschillende aanleg opgroeien in dezelfde omgeving, ontwikkelen zich waarschijnlijk óók verschillend.
Ontwikkeling is lastig te voorspellen. Ouders en opvoeders kunnen de ontwikkeling van kinderen maar gedeeltelijk sturen. Ze hebben er wel een grote positieve of negatieve invloed op, die lang kan doorwerken.