23. Als ze het moeilijk hebben – angst, depressie en ADHD

Kinderen kunnen het tijdelijk moeilijk hebben, maar ze kunnen ook gedragsproblemen hebben door een langer durende stoornis.
Tijdelijke gedragsproblemen ontstaan vaak doordat er iets naars is gebeurd in de omgeving van het kind: ouders die gaan scheiden, een familie- of gezinslid dat is overleden.
Bij een langer durende stoornis spelen de aanleg van het kind (de genen) én de omgeving een rol. Welke van de twee het belangrijkste is, hangt af van de stoornis.
Voor ADHD bijvoorbeeld is altijd erfelijke aanleg nodig. Dat betekent niet dat iemand met aanleg voor ADHD, het ook altijd zal krijgen. Dat hangt af van de omgeving. Word je in aanleg heel onrustig in een drukke omgeving, zoals bij ADHD, maar je zit altijd in een heel rustige omgeving, dan komt de ADHD niet of maar een beetje te voorschijn.
Bij andere stoornissen, bijvoorbeeld depressie, roept juist de omgeving het gedrag op. Bijvoorbeeld doordat er veel stress en problemen zijn.
Stoornissen waarvoor aanleg belangrijk is, ontstaan meestal als de kinderen nog klein zijn, zijn er steeds, en kunnen een leven lang duren. Een kind of jongere met ADHD heeft het altijd.
Stoornissen waarvoor de omgeving belangrijk is, beginnen vaak pas later in het leven, en zijn er meestal niet de hele tijd. Wanneer je angstig of depressief bent, heb je ook weleens goede momenten waarop je er geen last van hebt.
Het is voor kinderen vooral moeilijk als ze stoornissen al jong hebben én als ze er meer tegelijk hebben. Ze gaan dan al vroeg in hun leven te veel drinken en blowen. Dat is ongezond, en het veroorzaakt vaak ook problemen.
Als stoornissen bij een kind op tijd worden herkend, kan er snel hulp worden gezocht, om zo de (toekomstige) problemen te beperken.