2. Het lichaam ­– erfelijkheid en omgeving

Hoe lang je kunt worden, ligt vast in je erfelijk materiaal. Of je die lengte ook haalt, hangt af van je omgeving. Kinderen die slecht gevoed worden, worden minder lang dan kinderen die goed te eten krijgen.
Sommige kinderen kunnen al lopen als ze 9 maanden zijn, andere pas als ze anderhalf jaar zijn. Sommige kinderen zijn al zindelijk als ze 1 jaar zijn, andere pas als ze 4 jaar zijn. Binnen een land, maar vooral tussen landen, zijn er grote verschillen.  Daaraan zie je dat de omgeving van kinderen veel invloed heeft op hun ontwikkeling.
Kinderen tussen 6 en 10 jaar oud ontwikkelen snel veel lichamelijke vaardigheden. Ze kunnen zichzelf aankleden, goed een bal vangen en werpen, en hebben voldoende controle over hun lichaam om met succes te leren zwemmen.
Ze vinden het leuk om te ravotten en zich met elkaar te meten. Daar leren ze ook van: hoe sterk ze zijn, maar ook wanneer ze zich moeten inhouden en moeten stoppen.
Kinderen tussen 6 en 10 kunnen ook steeds beter kleine, precieze  bewegingen maken. Dat helpt ze mooi te schrijven, maar ook om een muziekinstrument te bespelen of te dansen. Ook hier geldt dat de omgeving verschil maakt. Kinderen die gestimuleerd worden zulke dingen te oefenen, ontwikkelen zich beter dan kinderen bij wie dat niet zo is.
Ook het begin van de puberteit is een samenspel van erfelijkheid en omgeving, en komt niet bij alle kinderen op hetzelfde moment. Gemiddeld zijn meisjes ongeveer 12 en jongens 13,5 wanneer hun puberteit begint. Het duurt drie jaar voordat meisjes zijn uitgegroeid tot vrouwen en jongens tot mannen. Alleen hun hersenen doen er langer over: die zijn pas rond het 25ste jaar uitgegroeid (zie 3. De hersenen ).