14. Leren denken – de ontwikkeling van denken en taal

Leren denken begint met opletten. Baby’s kunnen nog niet denken, maar ze letten wel goed op hoe volwassenen zich gedragen. Ze reageren op een verbaasd gezicht door te lachen, en steken hun tong uit als een volwassene dat ook doet. Ze beginnen met denken door na te doen, en door toeval. Per ongeluk drukken ze op een knopje van de afstandsbediening en kijk: Teletubbies!
Als ze heel klein zijn, snappen ze nog niet dat al die dingen – knopje, afstandsbediening, tv, beeld, geluid, Teletubbies – bij elkaar horen. Dat leren ze uit ervaring, en doordat hun ouders tegen hen praten. Zij leggen uit wat er gebeurt, ze pakken de afstandsbediening af of geven hem juist aan.
Zelf dingen ervaren en luisteren naar wat anderen zeggen, zorgt ervoor dat kinderen leren denken en praten.
Vanaf ongeveer 3 jaar gaan kinderen vragen stellen over de wereld om hen heen.
Vanaf hun 12de ontwikkelt het zelfstandige denken zich snel. Kinderen gaan zelf redeneren in plaats van alleen informatie opvragen bij anderen, en ze kunnen langere tijd hun aandacht ergens bij houden. Ook kunnen ze beter ingewikkelde problemen oplossen.
Ze leren na te denken los van de werkelijkheid die ze zien en beleven. Ook leren ze logisch te denken, argumenten te verzamelen, en de redeneringen van anderen te beoordelen. En ze leren na te denken over hun eigen gedachten.
Hoe vaker ze al die dingen oefenen, hoe beter ze daarin worden. Discussiëren met kinderen is daarom zinvol, ook als het over onzinnige onderwerpen gaat.