46. Leeftijdsgenoten – de veranderende invloed van ouders

Kinderen en jongeren hebben volwassen opvoeders, zoals ouders en leerkrachten. Daarnaast voeden ze zichzelf op, én hebben ze leeftijdsgenoten als opvoeders. Broertjes, zusjes, buurtkinderen, klasgenoten, sportmaatjes.
Door contact met leeftijdsgenoten leren kinderen positieve sociale vaardigheden zoals samenwerken, conflicten oplossen en vrienden maken. Die vriendschappen zijn belangrijk, want daardoor zitten ze goed in hun vel en presteren ze beter op school.
Van leeftijdsgenoten krijgen ze sociale en emotionele steun. Met hen kunnen ze praten over nieuwe gevoelens (bijvoorbeeld verliefdheid) en nieuw gedrag (bijvoorbeeld seks). Samen kunnen ze met nieuw gedrag experimenteren.
Jongeren leren in hun vriendenkring voor zichzelf en anderen op te komen. Ook leren ze om te gaan met woede en boosheid, en discussiëren over hun eigen meningen, normen en waarden.
Leeftijdsgenoten kunnen jongeren er ook toe aanzetten gevaarlijke of onverstandige dingen te doen.
In de puberteit en de adolescentie (de leeftijd van 10 tot 20 jaar) neemt de invloed van leeftijdsgenoten toe. Jongeren trekken zich minder van hun ouders aan. Ze kunnen dan domme of gevaarlijke dingen doen om geaccepteerd te worden in de groep. Denk aan (veel) alcohol drinken, drugs gebruiken, spijbelen, vandalisme en geweld plegen (zie ook 25. Verslaafd, 27. Riskant gedrag). ‘Nee’ zeggen vinden ze vaak te moeilijk.
Ouders denken in die fase vaak dat ze helemaal geen invloed meer hebben op hun kinderen. Maar dat is niet zo. Als het gaat over school en beroepskeuze, hebben ze die invloed nog wel.
Als het gaat om de keuze van vrienden, hebben ouders en leeftijdsgenoten ongeveer evenveel invloed. Daarbij helpt het als ouders van jongs af aan kinderen hebben begeleid in de keuze van hun vrienden en goed contact hebben met die vrienden. Zo kunnen ze flink tegenwicht geven tegen een ‘slechte’ vriendenkeuze.