22. Jongens en meisjes – de invloed van het sekseverschil

Jongens en meisjes kunnen echt van elkaar verschillen. Maar échte jongens en échte meisjes zijn er niet zo veel. De meeste kinderen hebben jongensachtige en meisjesachtige eigenschappen. Hoeveel van elk, is voor iedereen verschillend.
Een paar dingen vallen wel op. Jongetjes worden vaker dood geboren dan meisjes en overlijden vaker door een miskraam. Jongens lopen ook meer risico om op jonge leeftijd te overlijden aan een erfelijke aandoening.
Een ander verschil is, dat meisjesbaby’s meestal langer naar gezichten kijken, en jongensbaby’s langer naar voorwerpen. Worden ze groter, dan hebben meisjes vaak meer belangstelling voor poppen, en jongens voor technisch speelgoed.
Bepaalde gebieden in de hersenen ontwikkelen zich bij meisjes sneller dan bij jongens. Het gaat dan met name om gebieden die belangrijk zijn voor taal en sociale vaardigheden (zie 3. De hersenen).
Ook op sociaal vlak zijn er verschillen tussen meisjes en jongens. Jongens stoeien en doen stoer om te bepalen wie de belangrijkste is in de groep. Meisjes roddelen met elkaar.
Jongens zijn meestal onderzoekender en actiever dan meisjes. Ze zijn meer doeners dan praters. Meisjes houden zich beter aan de regels, zijn zorgzamer en hebben meer inlevingsvermogen. Ze zijn meer praters dan doeners.
Bij kinderen met gedragsproblemen, zie je ook verschillen tussen jongens en meisjes. Jongens worden lastig voor hun omgeving: ze gaan schreeuwen en (soms) dingen vernielen. Meisjes worden juist lastig voor zichzelf: ze worden depressief, krijgen eetstoornissen of gaan in zichzelf snijden.
Jongens verkennen door hun actievere gedrag vaker grenzen en kunnen daardoor ontsporen. Ouders vinden jongens daarom vaker moeilijker om op te voeden dan meisjes.
Meisjes houden zich meestal beter aan de regels. Bovendien laten ze zich makkelijker knuffelen door hun ouders, en dat vinden ouders fijn.