17. Intellectuele ontwikkeling – genen, omgeving en de Citotoets

Het ene kind is slimmer dan het andere. Dat komt door eigenschappen die ze hebben overgeërfd (de genen) van hun ouders. Maar ook de omgeving waarin ze opgroeien, en hun eigen voorkeuren en karakter spelen een rol.
Kinderen erven verschillende ‘pakketjes’ genen van hun ouders. Ook de omgeving van elk kind is anders. Zo verschilt de positie van elk kind in het gezin, ook al groeien ze allemaal in hetzelfde gezin op. En kinderen hebben allemaal een eigen karakter (zie 20. Elk kind is anders). Omdat al die factoren per kind verschillen, kunnen ook kinderen binnen één gezin sterk van elkaar verschillen.
Genen, omgeving, en eigen karakter en voorkeuren zijn bovendien niet allemaal in elke fase van het leven even belangrijk. Zo neemt bij intelligentie de invloed van de omgeving in de loop van het leven af. Na alle onderwijs en cursussen zijn de verschillen die er nog tussen mensen bestaan, vooral te wijten aan aanleg.
Bij angst en depressiviteit neemt de invloed van de omgeving in de loop van het leven juist toe, en die van de genen af.
Bijna alle kinderen op de basisschool doen de Cito-toets. Daarbij worden taal, rekenen, wiskunde en de studievaardigheden getest. Ongeveer 60 procent van de verschillen in prestaties op die toets heeft te maken met erfelijke aanleg. De rest, 40 procent, ligt aan andere factoren.
Welke dat precies zijn, weten we niet. Wel is bekend dat de opleiding van de ouders belangrijk is, en of het kind borstvoeding heeft gehad. Kinderen van hoogopgeleide moeders die hun kinderen borstvoeding gaven, scoren gemiddeld 8,5 punt hoger op de Cito-toets (7 punten voor de opleiding en 1,5 punt voor de borstvoeding) dan andere kinderen. De Cito-score ligt tussen de 501 en 550 punten, dus dat verschil is best groot.