3. De hersenen – groeien, snoeien en specialiseren

Bij de geboorte bestaan onze hersenen uit honderd miljard zenuwcellen. Die zenuwcellen maken verbindingen met tienduizenden anderen en vormen zo netwerken die met elkaar communiceren. Daardoor kunnen we praten, nadenken, bewegen, dingen onthouden, enzovoorts.
In de loop van de tijd verdwijnen de verbindingen die we niet gebruiken. De communicatielijnen die we wél nodig hebben voor ons denken en doen, worden juist sterker. Vergelijk het met vijf sporen in een zandweg die naar één punt rijden. Het spoor dat je het vaakst gebruikt, zie je het duidelijkst en rijdt het beste. De andere vier zullen in het zand verdwijnen.
Jonge kinderen kunnen gemakkelijker leren dan volwassenen, omdat ze al die vijf sporen goed kunnen gebruiken. Hun hersenen zijn nog minder gespecialiseerd. Door veel oefenen – van taal, muziek of sport – kunnen ze bepaalde sporen goed vastleggen in hun hersenen. Daardoor worden ze er ook steeds beter in. Voor volwassenen is dat lastiger.
Hersenen zijn pas helemaal uitgegroeid op je 25ste. Voor een goede hersengroei in de baarmoeder helpt het als de moeder geen alcohol drinkt, niet rookt, en ook geen stress heeft.
Voor een goede hersenontwikkeling is het belangrijk dat kinderen veilig gehecht zijn aan hun ouders (zie 6. Gehechtheid), en regelmatig en gezond eten (zie 4. Eten en drinken). Ook het leren van taal en beweging is belangrijk.
Verwaarlozing en mishandeling kunnen leiden tot beschadiging van bepaalde hersengebieden.
In de puberteit (tussen de 11 en 14 jaar) maken de hersenen een groeispurt door. Door de hormonale veranderingen is het emotiegedeelte in het brein heel gevoelig. Het hersengedeelte voor beheersing en besluitvorming is nog niet uitgegroeid. Daardoor overheersen emoties, en doen pubers vaak domme en riskante dingen (zie 27. Riskant gedrag). Maar daardoor kunnen ze vaak ook creatiever denken dan volwassenen.