12. Goed en kwaad – afspraken, regels en een eigen geweten

We worden als egoïsten geboren, maar kunnen door opvoeding en ontwikkeling mensen worden die rekening houden met anderen.
Onze morele ontwikkeling doorloopt verschillende stadia.
Kinderen tot 7 jaar beoordelen gedrag meestal op de gevolgen die het heeft. Een kind dat per ongeluk twee kopjes kapot laat vallen, is volgens hen stouter dan een kind dat expres een kopje kapot gooit. Ze kijken alleen naar het effect van gedrag, en nog niet naar de bedoeling die iemand ermee heeft.
Oudere kinderen beoordelen gedrag steeds vaker op basis van vastgestelde afspraken en normen. Ze worden gevoelig voor de mening van anderen, en vinden het belangrijk dat iedereen zich aan de regels houdt. Zo kunnen ze hun ouders streng toespreken wanneer die een regel overtreden (bijvoorbeeld door rood rijden).
Jongeren ontwikkelen een geweten op basis van regels van anderen én eigen ideeën over goed en kwaad. Dit niveau wordt meestal op het 17de, 18de jaar bereikt, maar niet door iedereen. Dat hangt af van hun eigen denkvermogen en van de mate waarin hun omgeving denken over goed en kwaad stimuleert.
Gesprekken met jongeren over goed en kwaad zijn belangrijk voor hun morele ontwikkeling. Zo leren ze na te denken en zich te oefenen in morele dilemma’s: kwesties waarbij iemand zijn principes gebruikt om een besluit te kunnen nemen. Daarop oefenen is positief, omdat iedereen in zijn leven met zulke dilemma’s te maken krijgt.