6. Gehechtheid – knuffelen en vaders zijn hard nodig

Gehechtheid is de neiging van jonge kinderen om contact te zoeken met iemand die hen beschermt als ze zich angstig, verdrietig of gespannen voelen. Dat doen ze door te huilen, door op schoot te kruipen, of door op andere manieren aandacht te trekken.
Gehechtheid geeft een veilige basis om de buitenwereld te verkennen,
en zorgt voor hulp, bescherming en troost.
De meeste kinderen zijn rond hun eerste verjaardag gehecht. Voor een veilige gehechtheid is het belangrijk dat opvoeders begrijpen wat er in een kind omgaat. Ook een stabiele relatie tussen kind en opvoeders is belangrijk. Scheiden doet de gehechtheid van een kind geen goed (zie 38. Uit elkaar).
Kinderen kunnen zich goed hechten aan opvoeders die geen familie van hen zijn. Ook is het niet zo dat kinderen zich makkelijker hechten aan mensen die hun te eten even. Het belangrijkste voor veilige gehechtheid is, dat kinderen en opvoeders regelmatig op een positieve manier met elkaar omgaan.
Onveilige gehechtheid ontstaat als opvoeders niet goed in de gaten hebben dat kinderen hun hulp en bescherming nodig hebben. Kinderen die onveilig gehecht zijn en ook negatieve gebeurtenissen meemaken, zoals de scheiding van hun ouders, zullen eerder ongehoorzaam worden of agressief.
Veilige gehechtheid wordt bevorderd wanneer een kind verschillende volwassenen kent met wie het een gehechtheidsrelatie heeft. In het ideale geval groeit een kind op met meer dan één of twee ouders. Helaas staan veel moeders in moderne samenlevingen er vaak alleen voor. Een grotere rol voor vaders (zie 32. Vaders) en voor opa’s en oma’s (zie 42. Grootouders) zou daarom wenselijk zijn.
Voor een veilige gehechtheid is het belangrijk dat kinderen opgroeien in stabiele omstandigheden. Hoe meer je de omgeving van jonge kinderen hetzelfde kunt houden, hoe beter.