37. Een belast gezin – de balans tussen draagkracht en draaglast

Sommige gezinnen hebben het moeilijker dan andere, omdat ze een gezinslid hebben met een langdurige ziekte, handicap of stoornis.
In Nederland hadden in 2008 bijna een half miljoen kinderen van 4 tot 11 jaar een langdurige (chronische) aandoening. Als lichamelijke klachten komen astma en chronische bronchitis het meest voor (10 procent). Bij leer- en gedragsstoornissen zijn dat dyslexie (4 procent) en ADHD (5 procent).
Dat is lastig voor het kind, maar vaak ook voor de rest van het gezin.
Ook ouders kunnen een langdurige aandoening hebben (zie 34. Ouders met psychische problemen).
Hoe kunnen gezinnen zulke situaties het hoofd bieden?
Elk gezin heeft positieve kracht. Deze draagkracht bestaat uit vaardigheden om kinderen op te voeden, geld en sociale steun.
Elk gezin heeft ook taken die het belasten. Deze draaglast bestaat uit de normale huishoudelijke taken en opvoedingstaken.
De balans tussen draagkracht en draaglast kan uit evenwicht raken door negatieve gebeurtenissen. Denk bijvoorbeeld aan ontslag, echtscheiding en een ernstige ziekte. Maar ook doordat kinderen of andere gezinsleden een langdurige aandoening hebben, zoals een (zware) handicap.
Chronisch zieke gezinsleden hebben een grotere kans op slaapproblemen, concentratieproblemen, angst en depressieve gevoelens. Maar de andere gezinsleden ook.
Het maakt uit of een kind chronisch ziek is, of een ouder.
Bij kinderen kan hun ziekte het ontwikkelen van emotionele, sociale en cognitieve (het denkvermogen) vaardigheden moeilijker maken.
Kinderen van chronisch zieke ouders doen vaak de boodschappen, ze koken en doen andere huishoudelijke taken. Het risico bestaat dat ze meer doen dan ze aankunnen.
De draaglast mag voor zulke kinderen niet te zwaar worden. Wat kinderen kan helpen, is praten met lotgenoten, kennis verzamelen over de ziekte, en leren beter met de situatie om te gaan.
Organiseren van praktische hulp van familie en/of buren is ook verstandig.